HET VERHAAL

Hoe mijn werk ontstaan is

Een aantal jaren geleden ben ik begonnen met het maken van collages.

 

Het was in die tijd dat ik Het Arcadeproject van Walter Benjamin las over de Arcaden van Parijs. De arcaden zijn overdekte winkelstraatjes, de beroemde passages waar er nog een aantal van over zijn. Ze zijn gebouwd door de hele 19e eeuw en boden ruimte aan alles wat nieuw was. Daar in die passages werden van over de hele wereld geimporteerde en door de nieuwe industrie gemaakte waren uitgestald. Deze eeuw van nieuwe mogelijkheden, nieuwe technieken, nieuwe markten en verzamelgebieden, nieuwe ontdekkingen, nieuwe werelden en nieuwe soms utopische denkbeelden, deze eeuw kwam samen onder ijzer en glas in deze overdekte winkelstraten. Het is hier dat het moderne leven is geboren en opgegroeid en waar ze haar onschuld is verloren en de geur van urine hangt. Het is hier waar de Spektakel Samenleving is ontstaan, beeldvorming en manipulatie tegelijk met onze ‘behoeften’. In zijn boek benaderde Benjamin zijn onderwerp vanuit de meest verschillende invalshoeken. En ik leerde dat van hem en daardoor leerde ik in mijn collages ruimte te manipuleren en maakte stedelijke ruimten met dramatische verschieten en toneeltjes waarop personages een rol spelen. De ruimte kon de context voor alles zijn; de ruimte zelf werd een metafoor om de meest uiteenlopende zaken bij elkaar te brengen. Aanvakelijk voerde ik soms letterlijk toneelplanken en coulissen op en voegde ik later filmbeelden en foto’s in om de ruimte te verdubbelen, te vergroten en te dramatiseren.

 

Ik maakte voor de collages aanvankelijk gebruik van houtgravures uit de tijd, de late 19e eeuw. Het deert niet dat de afbeeldingen daardoor getekend worden. De gevoelens, die ik onder woorden brengen wil, herken ik in die tijd evengoed misschien beter als in die van ons en waarom zou een ander dat niet herkennen. Per slot van rekening gaat het in mijn werk voor een groot deel om verbondenheid en overgave. Voor mij zijn dit concrete gevoelens en ze vormen de werkelijkheid waarin ik leef en waarin ik geloof. God is onkenbaar, maar Hij wil ons kennen. Ik wil mijn verbondenheid met dit leven, met de wereld, de materie en het licht laten zien. Het is een oud thema dat ik ter hand neem. Dus voer ik een kind op dat in zijn onschuld in zingen uitbarst en in dat zingen klinkt de natuur en zijn natuurlijk samenhangen daarmee door.

 

Ik wil in de vormgeving niet schatplichtig zijn aan iets anders dan aan de werkelijkheid. Het komt dus niet gemakkelijk in mij op om de werkelijkheid te deformeren of mijn persoonlijke gevoelens tot uitdrukking te brengen. Ik wil geen kunst maken en moet niets hebben van deze of gene stijl. Of die stijl moet van een zo grote objectiviteit zijn dat ze geen rol meer speelt. Dat is wat ik bedoel met ‘opgaan in de werkelijkheid’ of ‘opgaan in mijn onderwerp’ als bestond ik niet meer zelf en kwam mijn onderwerp in mij tot leven, omdat ik me er mee verbonden voel. Schoonheid bestaat als gevolg van deze eenheid, het is niet iets dat je maakt, maar krijgt. Tegelijk voel ik me in geen enkel opzicht verplicht de werkelijkheid als de fotografische en zogenaamd neutrale werkelijkheid naar voren te brengen. De werkelijkheid is dubbelzinniger en raadselachtiger dan wij willen doen voorkomen, ze is noch neutraal noch objectief.